‘Transitie’, het is een woord wat we onderhand bijna dagelijks wel eens voorbij horen komen in de media. Ooit was ook de landbouwsector in de Hoeksche Waard het beeld van zo’n ’transitie’. We hebbben het dan specifiek over de opkomst en het vooral het einde van de vlasteelt. ‘s-Gravendeel heeft door de eeuwen heen bekend gestaan als een vlassersdorp. Er werd veel vlas verbouwd, maar er werd ook uit andere delen van het land vlas aangevoerd om te bewerken.
In 1950 was ongeveer 30% van de vlasroterijen en de helft van de zwingelturbines in ons land hier gevestigd. In het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw is de vlasindustrie echter geheel uit het dorp verdwenen. Slechts de straatnamen in de wijk Nieuw Bonaventura en enkele betonnen rootbakken herinneren nog aan deze voor ‘s-Gravendeel vroeger zo belangrijke industrie. Het was de tijd van de opkomst van kunstvezels en mede daardoor werd de teelt van het vlas al sinds de tweede helft van de jaren zestig minder rendabel. De vlasindustrie werd op de Zuid-Hollandse eilanden uitgeoefend in fabrieksmatige bedrijven en door landbouwers, die naast de landbouw ook vlas bewerkten. De grote vlasserijen met ‘mechanische beweegkracht’ vond men hoofdzakelijk in de gemeenten Ridderkerk, Hendrik-Ido-Ambacht en met name dus in ‘s-Gravendeel. Het werk in de vlasindustrie was overigens hard werk en vroeger namen loonwerkers ook kinderen mee om mee te helpen met bijvoonbeeld de oogst van het vlas.
Hedendaagse vlasteelt
Nederland vormt samen met België en Noord-Frankrijk een wereldwijd centrum voor de teelt van vlas. Vlas, dat al sinds de middeleeuwen wordt verbouwd, is een duurzaam gewas dat bloeit op kleigrond en wordt gebruikt voor vlaslinnen, zaad en vezels. Belangrijke teeltgebieden in ons land zijn Zeeland (met name Zeeuws-Vlaanderen), Flevoland en in mindere mate Noord-Groningen. In Europa is de (vezel)vlasteelt voor linnen geconcentreerd in België en Noord-Frankrijk. In Normandië wordt Doudeville ‘capitale du lin’ genoemd. In Vlaanderen was Kortrijk lang een centrum van vlasteelt en nijverheid. De vlasteelt binnen deze drie productielanden is in het laatste kwart van de twintigste eeuw bijna verdriedubbeld en omvat ruim 100.000 hectare. De grootste winst qua oppervlakte en tevens opbrengst per hectare komt voor rekening van Frankrijk. Voor de vlasteelt in Noord-Nederland ligt er nog een zee aan mogelijkheden open. Het verwerkte product linnen, maar ook de andere delen van de plant, vinden we nu weer steeds meer toepassingen. Zoals in de transportindustrie, de bouwnijverheid of bij het drukken van geldbiljetten en dus niet alleen in de textielindustrie. Het is dus mogelijk dat het vlas een comeback gaat maken.
Elke avond op de hoogte van het laatste nieuws uit de Hoeksche Waard? Schrijf je dan hier in voor onze gratis nieuwsbrief.




























